ster

Vereniging Orde der Verdraagzamen

een esoterisch – magische bibliotheek

  1. Geloofswaarden
  2. Esoterie
© Orde der Verdraagzamen Stem van Gene Zijde (III) 1 GELOOFSWAARDEN 22 januari 1971 Goedenavond, vrienden. Wij, sprekers van deze Orde, zijn niet alwetend of onfeilbaar en hopen dus, dat u over alles wat gebracht wordt, zelfstandig na zult denken. Ons onderwerp van vandaag dient van geestelijke aard te zijn. Ik zou daarom gaarne met u spreken over: GELOOFSWAARDEN Geloof is een weten, dat je in jezelf meent te bezitten, zonder dat er uiterlijke bewijzen zijn aan te voeren, waardoor het mogelijk wordt dit geloof in de passen in het systeem van menselijk redelijk denken. De waarde van een geloof wordt over het algemeen bepaald aan de hand van de invloed, die dit geloof heeft op de gelovigen. Een zienswijze die overigens t.m. hier in Nederland wat verouderd lijkt te zijn. Hier lijkt het er eerder op, dat de waarde van een geloof eerder bepaald wordt door de invloed, die de gelovigen hebben op de artikelen van het geloof. Maar dit is ongetwijfeld eerder een kwestie van inspraak, dan van geloof. Ik zal u in mijn toespraak met dergelijke dingen echter niet te zeer vervelen. Wanneer wij nagaan hoe een geloof in elkaar zit, worden wij steeds weer met de volgende punten geconfronteerd: A. Een openbaring. B. Een wet. C. Een organisatie of kerk. Indien wij een openbaring meer redelijk willen gaan benaderen, komen wij altijd weer in moeilijkheden: zij heeft altijd weer plaats gevonden op een plaats, die ver weg is en op een tijd, die ver in het verleden ligt. Dit betekent dat, zeker in uw dagen, maar evenzeer in het verleden, de gelovige maar weinig mogelijkheden ter beschikking staan om de juistheid, of zelfs het feitelijk plaats vinden van de openbaring, na te gaan. Desalniettemin neemt men een dergelijke openbaring meestal als onverweigerlijk waar aan. Men kan deze openbaringen dan nog in verschillende soorten scheiden. Allereerst kennen wij de openbaringen van z.g. goddelijke aard. Dezen heten onmiddellijk vanuit de hemel tot de mens te komen. In de Indische filosofie ontmoeten wij zo verschillende uitspraken die door goden op aarde zouden zijn gedaan, waarna een dergelijke god kennelijk onmiddellijk weer naar huis is gegaan. Men laat veelal in het midden, of dit een schrijfwijze, een voorstelling van de schrijver, of een werkelijkheid is. Elders treedt god onmiddellijk of door middel van profeten op. In het christendom hebben wij te maken met een god, die als mens op aarde geboren wordt en als mens zijn uitspraken geeft. In vele gevallen heten de openbaringen afkomstig te zijn van een mens, die door god als een bijzondere spreekbuis is gebruikt, terwijl diens woorden bovendien in meerdere gevallen onmiddellijk worden opgetekend, zoals bijvoorbeeld het geval was bij de uitspraken van Mohammed. Wanneer wij dergelijke openbaringen redelijk benaderen en op de keper beschouwen, zo kunnen wij slechts zeggen: zij bevatten allen in wezen een zedenleer. Hieraan wordt langzaam maar zeker een historie toegevoegd. Eerst wanneer historie en zedenleer voldoende onoverzichtelijk zijn geworden voor de leek, ontstaat hieruit een godsdienst met vele riten. Dit klinkt, naar ik aanneem, u niet al te vriendelijk in de oren. Maar waarom zouden wij vriendelijk zijn tegen godsdiensten, die zich voortdurend vermeten iemand die niet het ware geloof belijdt, te beschouwen als een arme heiden of erger nog, als een vervloekte giaur. U zou dit laatste woord moeten kennen, wanneer u ooit iets over Kara Ben Nemsi hebt gelezen. © Orde der Verdraagzamen Stem van Gene Zijde (III) 2 Overigens boeken die mij wat kerkelijk aandoen, daar zij immers tot stand zijn gekomen in Württemberg, zonder dat Karl May ooit de Sahara of wat dat betreft, de savannen, bergen en vlakten van de Amerikaanse continenten zelf gezien had. Indien iemand nu aan zou nemen dat zijn werken op feiten berusten, dan zou men voor hen dit dus een geloofsopenbaring kunnen noemen. Maar goed. Wanneer ik uitga van een openbaring zonder meer, zo zal ook ik mij moeten afvragen: in welke zin vindt die openbaring plaats? Want aan te nemen, dat de openbaring plotseling en geheel tegen alle bestaande kennis, wetten en gebruiken op aarde ingaande voorkomt, lijkt misschien voor de gelovige aanvaardbaar en vleiend, maar blijkt steeds weer feitelijk onjuist te zijn. Indien wij ons bv. bezighouden met de mozaïsche wetten, de 10 geboden, zo komen wij tot de conclusie, dat het merendeel van deze geboden, met uitzondering van de eerste drie, in feite ontleend zijn aan een civiele wetgeving, zoals die in dezelfde tijd o.m. in het dal van Eufraat en Tigris gebruikelijk was in vele stadstaten. Bezien wij afzonderlijk de drie eerste geboden, zo blijken deze veel overeenkomst te tonen met bepaalde inwijdingsgeloften, zoals die in Egypte werden gevraagd aan de hogere ingewijden van Ammon en in enigszins andere vorm ook aan de volgelingen van Isis. Dit was een groep van priesters en priesteressen in de Isiscultus, die zich verbonden hadden geen tempels van andere goden meer te betreden en onder geen enkele voorwaarde een andere god of godin dan Isis te dienen. Moeilijker wordt het, wanneer wij zoeken naar de wet in het christelijke geloof. Want dit christelijke geloof heeft geen eigen geboden. Christus geeft in feite alleen maar lering. Een gebod in directe zin van het woord zal men dan ook vergeefs zoeken in het evangelium. Er was een Paulus voor nodig om uit Jezus' uitspraken iets te smeden, dat voor wet, voor reeks van geboden door kon gaan. En zelfs hem is dit niet geheel overtuigend gelukt. Wij hebben hier dus te maken met een toestand, waarbij je je af moet gaan vragen: waar komen al die wetten en geboden dan eigenlijk vandaan? Bij nader onderzoek blijken de wetten te stammen van latere kerkvergaderingen, of genomen te zijn uit het oude testament. En die eerste kerkvergaderingen doen mij denken aan een democratische staat die dankzij een democratisch en gekozen gouvernement tot het besluit komt, na volkstelling, voortaan dictatoriale methoden toe te passen. U zult begrijpen, dat je elk geloof op een dergelijke wijze kunt beschouwen. Maar altijd zul je weer toe moeten geven, dat de verkondigde wet mede menselijk is. Niet medemenselijk, dat is weer iets anders. Dergelijke wetten zijn in wezen zelfs vaak onmenselijk, maar worden door mensen gemaakt. De religieuze wet geeft een groot voordeel: elke andere wet is voor wijziging vatbaar, maar deze wetten niet. De wet komt onmiddellijk van god en zou hoogstens middels openbaringen gewijzigd kunnen worden. Maar je zorgt ervoor, dat dergelijke openbaringen niet voorkomen en, zo dit niet voorkomen kan worden, roep je ze uit tot werk van de duivel. Op deze wijze heb je een wet, die blijvend van kracht is. Wat weer betekent, dat je een morele en culturele achtergrond voor het geloof kunt scheppen, die blijft bestaan dankzij deze vaste regels. Kerken overal in de wereld hebben iets dergelijks dan ook door alle tijden heen met een ontstellende regelmaat gedaan, zodra zij voldoende invloed meenden te hebben. Men kan zich afvragen, wat dan de moraal van een leer is. Wanneer ik kijk naar de mozaïsche wetgeving, zo valt mij op dat deze wetten toch wel ideaal zijn wanneer men een reeks van stammen, die niet allen vriendelijk tegenover elkaar staan, tot een eenheid wilt brengen, daar zij gezamenlijk door een woestijn zullen moeten gaan trekken en naar buiten toe als één geheel, als één enkel volk op zullen moeten gaan treden. Het feit dat deze goddelijke wetten met veel nadruk worden gesteld, boven alle gebruiken en gewoonten van de verschillende groepen prevaleren en met lijfgeweld worden gehandhaafd, maakt duidelijk dat zij, mede gezien de resultaten, wel bijzonder toepasselijk waren voor die tijd en die omstandigheden. Ongeacht hun bron pasten zij wel degelijk zeer wel in het morele, politieke en economische klimaat van de mensen, aan wie zij toen gegeven zouden zijn. U weet waarschijnlijk wel dat wij in dit verband enige moeilijkheden zouden kunnen maken, o.a. omdat er nog geen schrift bestond, waarin toch abstracte begrippen als de eerste drie geboden, zouden kunnen worden uitgedrukt. © Orde der Verdraagzamen Stem van Gene Zijde (III) 3 Wij zullen ons met de oorsprong maar niet bezighouden en eenvoudig aannemen dat die gebo- den er nu eenmaal zijn. Kijken wij naar de leringen van Mohammed, dan valt ons op dat er vele soera’s zijn - strofen zou men kunnen zeggen - die in feite niets anders doen dan binnen het kader van een bestaande reeks gebruiken, een regeling treffen. De soera van de koe is wel een van de belangrijkste daarbij. Wij zien echter hoe in de verschillende soera’s het gedrag van de mens, de plaats van de vrouw e.d. worden geregeld. Zelfs de relatie met beoefenaars van andere godsdiensten wordt geheel geregeld op een betrekkelijk verdraagzame wijze. Zoals u zult weten, was het Ali die hierin door andere interpretaties een verandering tot stand bracht. Er ontstond een soort godsdienstige burgeroorlog tussen Ali en Hussein, die beiden opvolgers van de profeet meenden te zijn. Het gevolg was, dat men niet alleen meer misbruiken meende te mogen wegnemen, maar zelfs voor zich het recht begon op te eisen alle ketters te vervolgen met alle middelen. Mohammed dacht er echter kennelijk anders over: je had de plicht alle afgoderijen enz. uit te roeien, maar beoefenaars van andere godsdiensten moest je toch blijven respecteren. Letterlijk stelt hij bv. dat de ware gelovige eerbied dient te hebben voor de wijzen der Joden. Nu is deze stelling begrijpelijk, want een groot deel van het islamitisch geloof komt uit het judaïsme voort. Daarnaast vergt hij van de ware gelovigen respect voor de priesters van de christenen. Wat evenzeer begrijpelijk is, omdat het christendom t.m. een verwante godsdienst is, waaruit men eveneens enige punten van belang ontleend schijnt te hebben. Hoe het ook zij, wanneer wij de leer op de keper bezien, blijkt ook zij in de eerste plaats een regulering van het menselijke bestaan tot stand te brengen. Wat ons ook in dit geval niet veel ruimte laat voor een openbaring, die geheel nieuw is en van buiten de mensheid zelf stamt. Zelfs wanneer wij denken over Jezus, zo zullen wij bij een waarderen van zijn leer en de resultaten van zijn optreden er rekening mee moeten houden, dat hij als Messias in die dagen niet alleen schijnt te staan. Er zijn in die dagen vele mensen die eveneens beweren de Messias te zijn; ook dezen doen wonderen en trekken door het land. Het uitzonderlijke van Jezus ligt in zijn lering die zich richt op een helpen van de mensen, hen een nieuw zelfrespect en nieuwe hoop wil geven, maar bovenal aanspoort tot saamhorigheid. Dit is voor de gewone man van belang. In een tijd, dat hij aan de ene kant door de tempel wordt uitgebuit en aan de andere kant wordt geplunderd en onderdrukt door Rome. Zeer belangrijk is de waardigheid van elke mens, zoals die in de evangeliën doorklinkt. Wie even nadenkt zal beseffen dat Jezus zijn volgelingen en in feite alle mensen steeds weer wijst op hun persoonlijke betekenis en waarde - ook al zal dit aspect de moderne christen misschien vaak ontgaan. Gezien de gehele situatie kunnen wij ook hier veronderstellen, dat de kern van deze godsdienst, dit geloof, berust op leefregels. Zoals wij ook steeds weer bij elke godsdienst zien, dat de zogenaamde openbaring zijn belang en invloed in de eerste plaats ontleent aan leefregels, die lichtelijk afwijken van, maar toch ook berusten op, bestaande gebruiken. Daarnaast blijkt dat elke godsdienst in feite in de eerste plaats een materiële organisatie is, die zowel haar gezag als haar mogelijkheden baseert op regels, die afgeleid heten te zijn aan of werkelijk ontnomen werden aan openbaringen. En hiermee zou men kunnen zeggen: basta. Maar het vreemde is, dat voor de mens op zich het geloof vaak een geheel andere betekenis krijgt. De mens gelooft. Zijn geloof, onverschillig welke vorm het aanneemt, zal altijd weer gebaseerd zijn op de voorstellingen, waarmee men hem in zijn jonge jaren geconfronteerd heeft, de stellingen, die men hem als kind voor waarheid verkondigde. Je kunt die indrukken uit de jonge jaren nooit geheel uitwissen. Mogelijk zal een godsdienstig opgevoed mens later het bestaan van God loochenen. Maar in de praktijk blijft de oude leer hem steeds nog beïnvloeden. Iemand kan bv. stellen: ik ben humanist, maar geloof niet in het bestaan van God. Maar wanneer je dan gaat zien, wat dit humanisme voor hem betekent, blijkt steeds weer, dat hij het merendeel van zijn opvattingen omtrent menselijkheid nog steeds ontleent aan het christendom, tenminste in deze streken. En een wonder is dat niet, want hij leeft in feite in een christelijke maatschappij. Overigens is de vorm die een geloof bij een mens aanneemt niet zozeer van belang. Wel zien wij bij elke vorm van menselijk geloof een zeker mysticisme optreden, waarbij de mens los kan komen van zijn menselijke beperktheid. © Orde der Verdraagzamen Stem van Gene Zijde (III) 4 Naar ik meen valt tijdens en zelfs door dergelijke belevingen tevens de regulerende invloed die de godsdienst pleegt te hebben, voor hem weg. Hij wordt vrij in de beleving van iets hogers. Keert zijn bewustzijn terug tot de aarde na een dergelijke trance, uittreding, of hoe men een dergelijk beleven ook zou willen noemen, dan zal hij zijn beleven aan anderen alleen kunnen verklaren binnen de termen van de godsdienst, die tot de beleving aanleiding werd. Maar dat is begrijpelijk: de man of de vrouw beschikt immers over geen andere termen en middelen om het bovenzinnelijk ervarene weer te geven. Verder blijkt steeds weer, dat het geloof in de mens bijzondere krachten schijnt te stimuleren. Nu koketteert bijna elke godsdienst met de vele wonderdoeners die uit haar gelederen voort- kwamen. Altijd is er wel weer sprake van een bijzonder heilig mens, een apostel of geroepene, die allerhande mirakelen heeft vertoond. Als ik eerlijk mag zijn: wanneer men in de prediking van een godsdienst op dit aspect de nadruk legt, moet ik altijd weer denken aan een kermisspul, waar iemand luidkeels voor de tent staat te schreeuwen over de wonderen die voor koningen en hoogwaardigheidsbekleders werden verricht door degene die zich als bekend artist bij uit- zondering nu aan het volk tegen een geringe vergoeding komt presenteren. Je krijgt binnen immers nooit iets van dergelijke prestaties te zien, of zij vallen tegen en blijken in feite heel gewone trucs te zijn. Toch gebeuren er in de wereld wonderen. Zij zijn mogelijk niet zo spectaculair, als de met ophef besproken gebeurtenissen, maar zij zijn er wel degelijk. Er zijn inderdaad mensen die anderen door gebed weten te genezen. Telkens is er weer een mens die een visioen heeft, dat ook uitkomt. Er zijn mensen, die een god beleven en in een slag geheel veranderen in gedrag en denken. En dat zijn toch dingen, waar wij waarachtig niet al te gering over mogen denken. De mystiek zegt het heel eenvoudig: Wij dringen door tot het hoogste goddelijk licht, dat voor ons bereikbaar is. En in het contact met het oneindige verkrijgen wij de krachten, de mogelijkheden en de inzichten, die voor ons noodzakelijk zijn. Ik kan dit niet ontkennen. Dit is iets wat voorkomt. Het komt natuurlijk niet overal en elke dag voor, maar het is en blijft een feit. Ook hier zou men de vraag kunnen stellen of de goegemeente met haar overdreven hang naar mystiek de zaken niet wat overtrokken pleegt voor te stellen. Bovendien zijn bepaalde uitspraken in mijn ogen onwerkelijk en onredelijk. Wanneer men mij toeroept: God heeft ook u nodig, zo is mijn reactie: Wat een arme God moet het zijn, die het niet eens zonder mij kan stellen. En wanneer men mij toeroept: U hebt God nodig, zo vraag ik mij onmiddellijk af, waarvoor dan wel. Indien men echter tot mij zegt: Elk wezen heeft behoefte aan iets hogers en beters dan de redelijkheid van het menselijke bestaan alleen kan bieden, dan ben ik het daarmee onmiddellijk eens. De waarde van een geloof is voor mij dan ook gelegen in het feit, dat je, ook al is het niet redelijk, en zelfs bezien van uit een geestelijk standpunt direct onzinnig, door het geloof toch in staat wordt gesteld om contacten te krijgen met hogere werelden en hogere krachten. Waarbij het woord ‘hoger’ natuurlijk niet als een richtingsaanduiding mag worden beschouwd, maar moet worden gezien als een omschrijving van een rangorde. De situatie begint, naar ik meen, hierdoor duidelijker te worden. De waarden van het geloof zijn niet gelegen in de vorm en de stellingen van het geloof, maar in de intensiteit, waarmee het geloof innerlijk wordt beleefd. Gaat men hiervan uit, dan blijken weer typerende verschijnselen op te treden. Er zijn mensen die hun geloof intens beleven en dan deze beleving gebruiken om de wereld buiten hen met alle mogelijke middelen aan hun visie op alles wat goed is, op te dringen. Het vreemde is, dat deze mensen zelden tot iets hogers komen. Zij blijven meestal hangen in het galmende gebed en het vermaan aan de zondaars. Daarnaast kennen wij gelovige mensen die redeneren: wat kan het mij schelen, wat andere mensen doen. Ik ben niet op de wereld om over anderen te oordelen, maar om voor mijzelf zo goed mogelijk te leven. En juist dergelijke mensen die zich bovendien vaak nergens willen binden, terwijl zij zelfs in de kerkelijke kant van het geloof en de geloofsbeleving nogal aan de vrijblijvende kant blijven, innerlijk grote dingen beleven. Wanneer wordt verteld, dat Paulus op weg naar Damascus met blindheid wordt geslagen, omdat hij god ontmoet, zo maken de gelovigen daarvan een soort sprookje. Zoals men het verhaal pleegt te vertellen, bevat het elementen uit 1001 nacht en uit avonturenromans. © Orde der Verdraagzamen Stem van Gene Zijde (III) 5 Gaat men de feiten na, zoals die geweest moeten zijn, dan zal men echter toe moeten geven: toch schuilt ook hier het wonder van een geloof achter. Want Paulus, die toen nog Saulus heette, was een zeer gelovig man, ook al was zijn geloof allesbehalve christelijk. Zijn beleving is een zo intens verbonden zijn met het hogere, dat dit voor hem vorm en gestalte krijgt. Dit is mogelijk en wordt in dit geval bepaald door datgene, waarmede Saulus op het ogenblik het meeste bezig was. En dat waren de christenen. Over de gehele wereld blijkt iets dergelijks - tot in deze dagen - steeds weer voor mensen mogelijk te zijn. Zeker, het is niet, zoals in sommige verhalen, de zaak van daverende lichten en wonderbaarlijke stemmen. Het is eerder een toestand, waarin men opeens niet meer beseft, wat de normale eigen wereld betekent. Het is, om het modern te stellen, een trip, die je onverwacht maakt door onbekende werelden, die waarschijnlijk vooral binnen je bestaan. Hierdoor komt men op een gegeven ogenblik tot iets, wat men nog het beste kan omschrijven als het wegvallen van een grens, gevolgd door een gevoel van verbondenheid met alle dingen. Geloof doet dit echter enigszins anders, dan de vele middelen waarmee men een schijnbaar gelijksoortig effect meent te kunnen bereiken: uit het geloof belevende houdt men een soort blijvende verbinding met het hogere. Er blijft niet alleen een herinnering, maar het beleven resulteert in het openleggen van een soort kanaal, waardoor je krachten, inzichten en soms zelfs ook verdere belevingen, toevloeien. Het gevolg is, dat het leven voortaan door een mens die dit heeft bereikt, geheel anders geleefd wordt, je hebt niet langer de behoefte om redelijk te zijn. Men werkt met krachten en weet vaak kennelijk niet eens goed waarom of waarover het gaat. Voorbeelden hiervan kunnen wij zelfs in de hagiografie, in de levens der heiligen, terugvinden. Daar treffen wij bv. de ook in mijn ogen zeer belangrijke en eerbiedwaardige Franciscus van Assisi, die men immers ook heilig heeft verklaard. Dat hij werkelijk heilig is, lijkt mij wel te kloppen want hij had ook de moed om een groot zondaar te zijn. En dit is volgens mij nood- zakelijk om werkelijk tot inzichten te komen, waardoor je een heilige kunt zijn. Want heiligheid of werkelijk inzicht in het Hogere wordt nooit uit angst geboren. Deze man beleeft een grote schok, waardoor hij tot het besef komt: nu is alles wat ik heb gedaan en ben geweest, waardeloos. Hij meent, typisch in de middeleeuws - kerkelijke tendens van zijn dagen, dan een stem te horen, die hem zegt: Bouw mijn kerk op. Waarop de man rond loopt te zoeken tot hij een kerkje vindt, dat zeer bouwvallig is en aan het metselen slaat. Zo letterlijk neemt hij, wat hij meent te beleven. Toch ging het niet om het kerkje en was in feite de uitspraak die god of een onbekende volgens hem tegenover hem deed, van weinig of geen werkelijk belang. Belangrijk was voor hem, dat hij een gedachte en een gevoel dat om vervulling vroeg, op deze wijze kon uitleven in een daad. Belangrijk was voor hem, dat hij zich op deze wijze enerzijds van de maatschappij en de groepen, waartoe hij tot dan toe behoorde kon afzonderen en aan de andere kant, gedreven door een kracht die in hem leefde, tot een zich uiten in de wereld kon komen. Want als Frans niet iets had gevonden om zich te uiten, om iets te bouwen, zou hij al heel snel weer aan het zuipen, vechten en hoereren zijn geweest met zijn vrienden. Vergeet hierbij niet, dat hij voortdurend ruzie had met zijn oude heer, die in de textiel zat. Dat was toen nog een goede zaak. Frans had de gewoonte zo nu en dan een paar rollen brokaat of fluweel - die in die dagen heel wat waard waren - achterover te drukken om op deze wijze de waard tevreden te kunnen stellen. Men noemt Franciscus wel een wonder van vroomheid. Ik meen echter, dat hij eerder een wonder van werkelijkheidszin genoemd kan worden. Het lijkt misschien dwaas te prediken voor vogels en voor vissen. Indien men echter werkelijkheidszin heeft, zal men als mens beseffen: zo ik mij daarmee verbonden voel, is het voor een mens niet dwaas te spreken tegen een vogel of een vis. Vraag u trouwens eens af, hoeveel mensen lange gesprekken voeren met hondjes en katjes, die hen toch ook niet werkelijk kunnen verstaan. Zou Frans dan gekker zijn dan zij, alleen omdat hij uiting gaf aan hetgeen hem bewoog tegenover wezens en dingen, die in hem een gevoel van verbondenheid en schoonheid wekten? Als hij zijn lied zingt voor zuster zon, dan mogen wij misschien stellen, dat hij voor een ogenblik schijnt terug te keren tot de oude Atonverering. Maar in feite geeft hij daarin alleen maar uiting aan zijn intens gevoel van eenheid met de gehele schepping. Vreemd is in het leven van deze heilige, dat hij kennelijk een zelfde soort verbondenheid voelt, met de mensen, maar dat de mensen daarvoor telkens weer een stokje proberen te steken. © Orde der Verdraagzamen Stem van Gene Zijde (III) 6 Ik meen, dat zijn optreden kentekenend genoemd mag worden voor alles, wat wij in deze aardse wereld aan geloofswaarden kunnen aantreffen. De mens kan in het geloof komen tot een geheel nieuwe visie op wereld en leven, tot een geheel nieuw besef. Men komt tot een geheel nieuwe definitie van het eigen Ik en van de waarde van het leven. Bovendien blijkt men, zoals ook de heilige Frans, aan een dergelijke beleving van nieuwe waarden overvloedige krachten te ontlenen. Denk eens aan het feit, dat de bedelaar Franciscus van de paus de toestemming weet te verkrijgen een orde te stichten. Dat betekende in die dagen, mede gezien de geheel andere opzet en instelling van de gevestigde orden, heel wat. Wij zien dus ook hier bijzondere mogelijkheden, wij zien ook in dit geval bijzondere krachten en invloeden optreden. Nu kunt u natuurlijk ook spreken over de heilige mannen in India en Tibet of over de heilige kluizenaars, die in de woestijn hun volgende bekoring vol spanning pleegden af te wachten, zoals bv. Antonius, wiens waanbeelden een juiste weergave gekregen schijnen te hebben middels een zekere Dali. Sommige van deze mensen blijven zonderlingen zonder meer. Enkelen van hen blijken echter werkelijk vanuit een reëel geloof te werken en hun gedrag en optreden krijgt hierdoor waarde en ook inhoud op een wijze, die verre het geloof, waaraan zij deze schijnen te ontlenen, te buiten gaan. Ik ben daarom zo vrij te stellen: de hoofdwaarde van een geloof is wel het hierdoor mogelijk geworden doorbreken van grenzen. Een geloof, ongeacht omschrijving en inhoud daarvan, kan door zijn intensiteit van beleven, voor de mens een sleutel vormen, waardoor men andere werelden kan betreden en in en rond zichzelf andere krachten leert kennen en gebruiken. Wanneer u werkelijk gelooft, onverschillig waarin, zo is dit geloof voor u belangrijker dan alle feiten, ook alle bewezen feiten. Alles, wat redelijk bestaat, moet terugtreden achter deze gevoelsmatig gevonden formulering van een feitelijke onzekerheid. Je hebt dus door je geloof ook gelijktijdig je visie op de wereld veranderd. De waarde van het geloof ligt juist in de onttrekking van het Ik aan de zuiver menselijke maatschappelijkheid, waardoor men, gelouterd in zichzelf, terugkeert in de gemeenschap en maatschappelijk dienend kan worden, zonder gelijktijdig op maatschappelijke wijze gebonden te zijn. Zolang wij leven in een wereld die door de godsdiensten geregeerd wordt, zullen wij moeten erkennen, dat God een fictie blijft. Wij zien dat, naarmate de armoede meer door een kerk gepredikt wordt, de kerken die zij bouwt groter en rijker zullen zijn. Eens werd naar men zegt, de mensheid verdeeld door het bouwen van een toren van Babel. De grote kathedralen van een nabij verleden hebben, religieus, eenzelfde uitwerking gehad en een taalverwarring onder gelovigen veroorzaakt. En nevenbij opgemerkt: indien het bouwen van onnodig grote en dure gebouwen een kernmerk is voor kerkelijkheid, is de hedendaagse bureaucratie druk bezig zich als een nieuw kerkelijk geloof op deze wereld te vestigen, want de tempels die men hiervoor bouwt en vordert, zijn werkelijk enorm. Ik stel: indien de mens niet los kan komen van menselijk redelijke overwegingen, politieke over- wegingen e.d. ongeacht zijn vroomheid in de uiterlijkheden van het geloof, zo betekent dit, dat vroomheid en uiterlijk geloof van onwaarde zijn, zodat slechts innerlijke beleving voor de mens een werkelijke betekenis heeft. Vanuit die innerlijke beleving zien wij dan de volgende waarden optreden: Uit het gevoel van verbondenheid met de medemens ontstaat mede een gevoel van dienstbaarheid in genegenheid t.a.v. die medemens. Haat verdwijnt, maar geweld niet. Verder blijkt werkelijke vroomheid niet afhankelijk te zijn van de heersende morele en zedelijke wetten, die de maatschappij in zo rijke mate pleegt uit te storten over de schijnbaar toch nog niet zover cultureel gevorderde mens die in de maatschappij moet leven. Er is een dame heilig verklaard, die, letterlijk volgens haar officiële biografie, een veerman met haar lichaam betaalde, dus in feite de hoer speelde om haar zin te krijgen, toen dit de enige mogelijkheid bleek om terug te keren in haar klooster op de tijd, waarop zij beloofd had daar weer aanwezig te zijn. Nu kunt u menen, dat de door haar betaalde prijs betrekkelijk gering was, óf haar van onschatbare waarde achten, maar zeker is, dat de kerk haar gelovigen verbiedt een dergelijke schatting om welke reden dan ook vrijwillig te betalen. © Orde der Verdraagzamen Stem van Gene Zijde (III) 7 Van dezelfde heilige horen wij, dat zij wonderen heeft gedaan en schijnbaar nog steeds doet. Nu kunt u over dergelijke wonderen denken zoals u wilt, maar in ieder geval gebeurt er iets. Dit brengt mij er toe mijn stelling nog iets uit te breiden: de innerlijke geloofsbeleving maakt de mens vrij, de uiterlijke geloofsbeleving bindt hem. De mens, die innerlijk en uiterlijk vrij is, komt echter juist hierdoor tot het zoeken van de juiste banden. Hij zegt niet meer dat hij geheel vrij wil zijn van alle plichten, maar stelt wel, dat hij voortaan zelf kan bepalen waar, en op welke wijze hij zelf verder dienstbaar zal zijn. Voor de mens lijkt mij dit een gelukkige en juiste benadering van de werkelijke omstandigheden in het leven. Maar zelfs wanneer een mens in deze niet tot het uiterste gaat, zien wij nog vreemde verschijnselen optreden, die met het geloof samenhangen. Wanneer u ooit een bedevaartsplaats bezocht hebt, zult u daar zilveren votieven in de vorm van armen, benen, harten e.d. aan de wanden hebben zien hangen. Deze dingen betekenen iets: zij duiden aan, dat mensen zich hier genezen voelden. Gezien de kosten die aan dergelijke votieven verbonden waren, en de tijd die het kost iets dergelijks te laten vervaardigen, neem ik aan dat de meesten van hen toch wel werkelijk het gevoel hadden een zeer bijzondere beleving doorgemaakt te hebben. Bepalend voor dergelijke belevingen blijkt dan weer het geloof aan het bestaan van een dergelijke mogelijkheid te zijn. Wij kunnen dan natuurlijk strijden over de vraag, of dergelijke genezingen niet in de eerste plaats zenuwkwalen en verschijnselen van hysterie betreffen, maar daarmee maken wij het feit niet ongedaan, dat kennelijk en werkelijk dergelijke kwalen in het bedevaartsoord op wonderlijke wijze verdwijnen. De mens kan dus zelfs door een zeer beperkt geloof komen tot een verandering in zijn lichamelijke conditie en, naar men beweert, in enkele gevallen eveneens tot een verandering in zijn geestelijke vermogens. Zelfs een geloof, dat toch wel zeer eenvoudig en beperkt is, doet dus "wonderen" voor de mens. Is het dan onredelijk te stellen dat de werkingen van het geloof, hoezeer zij misschien op den duur wetenschappelijk verklaarbaar zullen zijn, ook in de zeer emotionele en onweten- schappelijke toepassing ervan, de mens de mogelijkheid geven in een geheel nieuwe wijze van leven en denken voort te gaan? Zegt u hiertegen ja, dan zegt u letterlijk of feitelijk dat het geloof een noodzaak is voor de mensen om hen in staat te stellen de grenzen van menselijke redelijkheid zover te overschrijden, dat vanuit dit nieuwe beleven de menselijke rede kan worden gehergroepeerd tot een meer kosmisch en dus ook meer omvattend geheel. In deze tijd lijkt het er wel eens op, of geloof voor de mens eerder een rem, een blok aan het been is. De kerken zien langzaam maar zeker een groot deel van hun invloed teloorgaan. In de plaats van het ritualistisch mooi doen, zien wij, waar nog een werkelijk geloof actief blijft, een teruggrijpen op emoties, ondersteund door zaken die niet bepaald kerkelijk of plechtig aandoen, maar die wel een juiste onderlijning van die emoties vormen. Dominees luisteren hun diensten op met beatbands, de katholieke mis wordt soms tot een soort show, waarbij leken de boventoon voeren en het eigenlijke misoffer op de achtergrond dreigt te geraken. Ook dit is een vorm van ontkerkelijking. Uit de behoefte aan een levende organisatie, uit de vele pogingen mensen aan zich te binden, is langzaamaan een vervreemding van de oorspronkelijke godsdienst ontstaan. Dergelijke verschijnselen komen ook voor in de moslimwereld. Ook boeddhisten klagen erover, dat politiek voor de gelovigen belangrijker schijnt te zijn, dan het volgen van de paden, en zelfs de volgers van het zensysteem klagen over een verminderende aandacht voor de belangrijkere zaken. De reden voor dit alles is, dat de gelovigen over de gehele wereld kennelijk steeds meer hun eigen wegen willen gaan. Voor hen is het geloof eerder tot een formulering geworden voor het onbekende, dat zij in zichzelf ontdekken. Maar hiermede grijpen zij terug naar de oerwaarde van het geloof, naar de werkelijke betekenis daarvan. De werkelijke betekenis van een geloof is niet gelegen in geloofsartikelen, in de openbaring zonder meer. Zij ligt zeker ook niet in de grote groepen gelovigen die gehoorzamen aan kerkelijk leidslieden. De werkelijke waarde van het geloof is nog steeds gelegen in het Licht, dat het in de mens zelf kan ontsteken. Mijn conclusie luidt dan ook: de waarde van het geloof wordt groter, de betekenis ervan dieper, naarmate de vorm waarin het tot uitdrukking wordt gebracht, onbelangrijker wordt. © Orde der Verdraagzamen Stem van Gene Zijde (III) 8 De beleving van het geloof zal tot hogere krachten voeren, naarmate men zich meer bewust is van zijn onvermogen om de werkelijke inhoud en betekenis van dit geloof juist te formuleren. Wie door zijn geloof leert putten uit de hoogste krachten, zonder zich daar onmiddellijk een gezag uit te maken, heeft de sleutel gevonden tot een uitbreiding van het menselijke zijn, zowel als een vergroting van het bewuste en geestelijke leven. Waarden, die m.i. in deze tijd voor de mens bovenal belangrijk zijn. Ik ben mij ervan bewust, dat mijn benadering minder geestelijk lijkt dan velen van u en ook mijn collegae aangenaam vinden. Maar ik voel er niet voor u met esoterische stroop te overgieten in een tijd waarin de vraag of een biddende kerk beter is dan een pratende kerk voor velen zo belangrijk geworden schijnt te zijn in dit land. Persoonlijk teken ik hierbij aan, dat ik niet teveel bezwaar heb tegen een pratende kerk, mits deze ook weet te bidden. Maar ik heb grote bezwaren tegen een kletsende kerk. En de meeste kerken kletsen in uw dagen, omdat zij kennelijk alleen door geklets hun politieke invloed menen te kunnen handhaven. Ik geef onmiddellijk toe, dat ik geschillen als er op het ogenblik in de roomse kerk zijn gerezen bij u, met een zekere vreugde gadesla. Want volgens mij wordt het tijd dat de mensen in gaan zien, dat het werkelijk belangrijke geloof in jezelf ligt, niet daarbuiten, terwijl men zich er van bewust wordt dat het niet belangrijk is hoe het geloof in vorm en verkondiging wordt gebracht, maar wel hoe je het innerlijk beleeft, en vanuit je innerlijke waarheid door je wezen uitdraagt in de wereld. Waarmee ik mijn betoog eindig en u de gelegenheid geef, uw opmerkingen en vragen naar voren te brengen. Reactie: U stelt, dat wetenschappelijk denken en geloof niet bij elkaar behoren. Dit ben ik niet met u eens. Antwoord: Op het ogenblik, dat het geloof voor u de begrenzingen uitschakelt, die een zuiver logisch redeneren met zich brengt, kunt u de feiten die u erkent, wel degelijk gebruiken om uw geloof ook in redelijke termen een voor uzelf meer aanvaardbare omschrijving te geven. Maar met alle rede en alle feiten kunt u geen geloof vinden of maken. Het geloof heeft niets te maken met de redelijke interpretatie van feiten. Soms bevestigt het geloof onredelijkerwijze wel de wetenschap en maakt het geloof het mogelijk tot een redelijke benadering te komen van feiten, die in het wetenschappelijk denken van mensen anders verworpen zouden worden. Reactie: Heiligen kunnen volgens mij door hun geloof en weten, voor de waarheid van een openbaring getuigen. Antwoord: Maar mensen bepalen achteraf en op grond van onvoldoende gegevens, wie heilig moet zijn. Hierdoor gaat uw aardige redenering niet geheel op. Ter illustratie, verwijs ik u naar een schrijver die langere tijd in minder goede reuk heeft gestaan: Boccaccio. Deze vertelt hoe een groot zondaar, om een ander moeilijkheden te besparen, op zijn sterfbed een valse biecht aflegt die schijnbaar van grote vroomheid getuigt. De biechtvader wordt hierdoor zo getroffen, dat hij zijn klooster er toe brengt de gestorvene in statie naar de kloosterkerk te brengen en daarbinnen te doen begraven. De menigte stroomt toe en na korte tijd geschieden wonderen aan het graf. Indien men eerlijk de hagiografie nagaat, zal men overigens wel tot de overtuiging komen dat bepaalde mensen heilig worden genoemd en hun daden gerechtvaardigd, omdat zij na hun dood wonderen heten te doen. Men zou kunnen stellen, dat dezen hun heiligheid niet danken aan hun werkelijke wijze van leven, maar aan het feit dat niemand van hun fouten op de hoogte was. De "wonderen" bewijzen in dergelijke gevallen ééns te meer, dat hiervoor het geloof van de vragende gelovige bepalend is en niet de feitelijke heiligheid van degenen die hij om gunsten of bescherming vraagt. Vraag: Maar zou dit dan ook niet op Jezus van toepassing kunnen zijn? Antwoord: Over Jezus is alleen dat bekend geworden, wat zijn leerlingen omtrent hem wilden verkondigen. Wat impliceert, dat zelfs de aanvaarde evangelisten uiteindelijk hebben neer- geschreven, wat voor hen een bevestiging betekende van hun voorstellingen omtrent Jezus. Dit impliceert volgens mij ook, dat Jezus anders heeft geleefd, is geweest, heeft gedacht, dan men zich nu op grond van de evangeliën pleegt voor te stellen. Enerzijds worden wij geconfronteerd met de uitermate lijdzame en geduldige Jezus, maar aan de andere kant zien wij een kort ogenblik ook de gewelddadige driftkop, die wisselaars en kooplui de tempel uitranselt. © Orde der Verdraagzamen Stem van Gene Zijde (III) 9 De daad is die van een heetgebakerde driftkop, welke altruïstische en symbolische bedoelingen wij ook later hieraan willen verbinden. Vooral wanneer men gelooft dat de persoon in kwestie over bovennatuurlijke kracht beschikt, waardoor hij het probleem sneller, juister en met minder minachting voor de tempel had kunnen oplossen. Zelfs wanneer wij de gelijkenissen beschouwen als een weergave van Jezus' karakter, was hij maar een eigenaardig heer. Je kunt al die dingen proberen weg te wissen door uit te roepen dat hij de zoon van god was - en dus alles zou mogen doen, zonder dat wij ons een oordeel mogen aanmatigen. Maar dit laatste lijkt mij onjuist: Jezus leefde als mens onder de mensen en geeft ons hierdoor wel degelijk naar ik meen, het recht zijn daden ook vanuit een menselijk standpunt te bezien en te beoordelen. Ik meen in Hem, naast grootheid en grote wijsheid, toch ook telkens weer iets van een zekere ironie te bespeuren. Volgens mij drijft hij bedekt de spot met de menselijke gewichtigheid en gebruiken. Het lijkt wel, of hij wil zeggen: jullie mensen zijn met al jullie wetten, regels enz. toch eigenlijk maar dwazen. Denk in dit verband aan de gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester: Toen zijn meester terug zou komen en zijn bedrog ontdekt zou worden, ging deze naar alle relaties van zijn meester en vroeg hen: Hoeveel zijt gij schuldig? Schrijf dan zoveel minder. Maar hoe eindigt Jezus? Wanneer hij geloofde in de waarde van de menselijke wetten en moraal, zou hij gezegd hebben dat de man een schoft of een dief was. Maar hij prijst de man “omdat hij zich vrienden maakte uit de mammon”. Het feit, dat deze vrienden gemaakt werden met andermans mammon, doet voor hem kennelijk niet ter zake. Wie de christelijke opvattingen omtrent bezit kent, zal toe moeten geven, dat hierin enige ironie schuilgaat. Ik zou meer voorbeelden kunnen geven, maar meen voldoende duidelijk te hebben gemaakt, dat hij iets anders is dan de fondantachtige bloedzwetende figuur, die zorgelijk kijkende en honingachtige zegeningen uitdelend door het land schrijdt. Ik zie hem dan ook eerder als een enorme, zwetende kerel, die gedragen wordt door wijsheid en inspiratie, maar die op elk terrein verder even menselijk is als elke mens. En wanneer iemand komt vertellen dat hij gehuwd was met Maria van Madala, of dat hij niet officieel met haar gehuwd was, zo maakt dit voor mij in mijn waardering geen verschil uit. Want wie Jezus’ leer eerlijk beziet, moet toegeven dat zij voortdurend niets anders doet dan duidelijk maken dat de menselijke moraal dwaasheid is. God is het rijk in jezelf vinden en de heerser daarvan erkennen. Waarlijk leven betekent: dit rijk bevestigen door wat je bent voor de mensen. Indien men mij nu vraagt, of ik deze leer geen fantastische openbaring vindt, moet ik u gelijk geven. Als geest weet ik bovendien zeker dat Jezus werkelijk geleefd heeft. Maar zo ik de zaak als mens zou moeten beoordelen, zou ik moeten toegeven dat Jezus evengoed een mythologische figuur zou kunnen zijn die door mensen werd geschapen aan de hand van mysteriën, die later verkeerd begrepen zijn en misschien ook te zeer werden gepopulariseerd. Er is namelijk geen enkel direct bewijs op aarde, waaruit tot nu toe gebleken is dat Jezus inderdaad op aarde heeft geleefd, zoals er geen enkel direct bewijs bestaat, dat de Jezus waarover de evangeliën gaan, geboren is, waar men zegt, dat hij geboren is, of gestorven is op de wijze, waarop ons dit wordt voorgesteld en om de redenen die men daarvoor geeft. Maar doet dat ter zake? De waarde van de openbaringen ligt voor mij niet in de menselijke feitelijkheid daarvan, maar in datgene wat zij aan geloof kunnen inspireren. Indien het geloof in Jezus mensen ertoe kan brengen hun gehele leven te wijden aan bv. het werken in een leprozerie, bewijst zij voor mij haar waarde reeds. Het feit, dat zovele mensen uit deze leer krachten kunnen putten, zowel voor de menselijke taken die zij moeten volbrengen, als voor bovenmenselijke taken en zelfs wonderen, is voor mij een bewijs van de geloofswaarde die hierin ligt. Dit betekent echter nog niet, dat ik de figuur Jezus ook werkelijk wil aanvaarden zoals men hem pleegt voor te stellen, en dit betekent niet, dat ik Jezus en Christus als identiek beschouw. Degenen die Jezus zo graag voorstellen als koning der wereld, met bloedend hart en opgeheven hand, wil ik herinneren aan een andere man, die een snor en een opgestoken hand als symbool had. Ook deze wenste, op zijn wijze, fu...er (?) van de gehele wereld te zijn. Zijn volgelingen waren tegenover andersdenkenden al even wreed als de verdedigers van “Christus Koning”. © Orde der Verdraagzamen Stem van Gene Zijde (III) 10 Vraag: Wat is het verschil tussen Jezus en Christus? Antwoord: Dat Jezus een mens was, die uiting mocht geven aan een veel hogere en meer omvattende macht, staat voor mij - die in de sferen reeds het genoegen had hem te zien - vast. Naar ik meen is het deze hogere kracht, die men Christus noemt. Vraag: Geloof betekent voor ons: niet zeker weten. Kun je dan hierdoor niet tot een hogere bewustzijnstoestand komen? Antwoord: Zolang we als mens of geest op redelijk terrein opereren, is het niet zeker weten een middel om onze zekerheden uit te breiden. Want waar wij zeker menen te zijn, zoeken wij niet meer en zullen wij dus nooit meer vinden, dan dat wat wij verkeerdelijk menen als zeker te mogen beschouwen. Indien wij echter spreken over geloof in de zin van “het geloof”, bedoelen wij daarmee in feite de onredelijke zekerheden, die in een mens kunnen bestaan, terwijl zij stoffelijk redelijk onbewijsbaar zijn. Hij, die op deze wijze gelooft, hanteert dus als feit waarden die voor andere mensen redelijk niet bewijsbaar zijn. Taalkundig zegt men wel: wanneer je gelooft, weet je niet, wanneer je weet, geloof je niet. Reactie: Maar je kunt beter geloven dan weten. Antwoord: Dit zegt men wel. Maar dat wat je gelooft, weet je eerst voor jezelf zeker, zegt men ook. Wat je meent te weten echter is blijkbaar een onzekerheid, want het weten van een mens verandert met de dag en wat je vandaag nog zeker meent te weten, is morgen reeds een ouderwetse dwaasheid geworden. Maar wat je gelooft in jezelf, is een verbinding met een eeuwigheid, met een onbeperktheid althans, zodat de waarde daarvan ongeacht de verschillen in de uitdrukking, die men daarvoor vindt, voortdurend gelijk blijft. Geloof is dus voor de mens - indien het een waar, een werkelijk geloof is - de gelijkblijvende waarde, terwijl menselijk weten een zeer veranderlijke waarde is. En nu moeten wij rekening gaan houden met uw arme zitvlakken en langzaam maar zeker ons discours over geloofswaarden gaan beëindigen. Ik ben mij ervan bewust dat onder deze titel nog veel meer samengevat kan worden dan ik u heden heb voorgelegd. Aan de andere kant heeft dit betoog misschien toch iets in u wakker geroepen: de vraag, of het niet belangrijker is te geloven, dan wel iets bepaald te geloven. Ik zou het zeer op prijs stellen, wanneer u over deze vraag nog eens na zou willen denken, wanneer u daarvoor wat tijd kunt vinden. Misschien dat u dan als ik de vormen onbelangrijk gaat noemen en zo voor uzelf de krachten vindt, die voor elke mens innerlijk en geestelijk bijzonder belangrijk kunnen zijn. Ik dank u voor uw aandacht. Goedenavond. ESOTERIE Goedenavond vrienden. Men heeft mij vanavond hierheen gestuurd voor de handel in geestelijke goederen. Het is de bedoeling, dat ik wat aan de vrome kant blijf, maar dit zou ik jammer vinden. Mijn stijl is nu eenmaal meer. Ik was op weg naar de zaal, toen ik een geest tegen kwam die me vroeg: Wat ga jij doen? Ik zei natuurlijk, dat ik voor de Orde der Verdraagzamen moest spreken. Daar ben jij wel de goeie voor, spotte hij. Maar ik zei onmiddellijk: Mijn verdraagzaamheid bestaat uit het begrip, dat ik toon voor alle onverdraagzaamheid bij mezelf. Er zijn trouwens wel meer mensen zo. Met dergelijke intro’s kun je bezig blijven tot het einde toe. Maar ik moet geestelijk zijn. Nu, dat klopt wel: ergens ben je altijd weer op zoek naar een waarheid. Maar als je hem uiteindelijk gevonden hebt, zeg je zo wel eens tegen jezelf: tjonge tjonge, heb ik mij daar nu zo druk over gemaakt? Want ik meende altijd, dat geestelijke waarheid de soort waarheid was, waarmee je het eerst in de knoop kwam te zitten en de enkele keer dat ik mij er mee bezig hield, klopte dat dan ook aardig. Zo zocht ik de waarheid eerst in de fles en later zelfs zonder dat. © Orde der Verdraagzamen Stem van Gene Zijde (III) 11 Want toen ik hier kwam en erkende dat er een geestelijk leven bestaat, wilde ik ook wel eens een geestelijke waarheid proberen te vinden. Nou, ik heb er gevonden. Maar het werd gewoon een soort geestelijke striptease: eerst de ene illusie weg, dan de volgende. En dat alles voor een publiek, dat niet eens applaudisseerde. Achteraf kan ik dat nog wel begrijpen, want zoveel moois kwam er nu ook weer niet tevoorschijn. Dus sukkel je voort van de ene geestelijke waarheid naar de andere en op den duur wil je ook jezelf geestelijk wat meer opbouwen. Dit is een soort geestelijke bodybuilding waarbij je je geestelijke mogelijkheden zo langzaam probeert aan te passen aan geestelijke waarden die je zo langzaamaan nu wel zou moeten kennen. Eerlijk is eerlijk: wanneer ik alles tevoren geweten had, zou ik anders geleefd hebben. Want ik had nogal wat trijntjes, en trijntje bracht mij tot wijntje, wijntje bracht mij tot ellende en dan zag ik weer een trijntje:.... enfin, dat was een soort perpetuum mobilé. Je probeert dus je geestelijke spieren op te bouwen. Dat lijkt moeilijk, maar wanneer je eenmaal weet wat het is, wordt het doodeenvoudig: net zoiets als ochtendgymnastiek. U kent dat wel, bukken, opkomen, armpje links, armpje rechts en zo oefen je alle delen. Nu ja, de meeste delen dan toch. Wanneer je geestelijk iets dergelijks wilt doen, moet je beginnen met hier eens een kleine deugd te beoefenen en dan daar wéér eens. Maar wel vooral regelmatig. Alleen heb je bij ons geen radio om je bij te oefenen. Trouwens, het is mij hier best meegevallen. Ik heb altijd gedacht dat je er met al die harpen gek van zou worden. Overigens zou het mij zelfs met harpen nog meegevallen zijn, want ik had eerlijk gezegd eerder verwacht het na mijn dood tamelijk heet te krijgen. Het valt mij op, dat het mij moeilijk valt u geestelijke wijsheid te brengen. Verwonderlijk is dat eigenlijk niet, want ik ben er eerst toe gekomen mij met meer geestelijke wijsheden bezig te houden, toen ik al bijna de geest gegeven had. Het gevolg hiervan is kennelijk dat ik steeds weer terugval in de termen van een conference in plaats van een mij waardig bezighouden met dingen die belangrijk zijn, zowel voor mij als voor u. U moet het mij dus maar vergeven, als het geven van geestelijke lessen mij zo nu en dan wat vreemd afgaat. Menselijke situaties kun je vaak met een woord, een danspasje of een liedje zonder meer typeren. Maar dat wordt moeilijk, zo niet onmogelijk, wanneer je het wilt doen met zuiver geestelijke dingen. Weet u, wat het beroerde is van een geest? Je kunt kijken, zoals je wilt, maar er zit eenvoudig geen been meer in. Het is alles plooibaar. Het enige vaste wat je bij geesten kunt opmerken is het beginsel. Bij mensen is het meestal eerder omgekeerd: zij zijn een en al vel en been, maar veel beginsel zit er niet meer in. Vergeef mij, dat ik steeds weer terugval in mijn oude fout. U moet maar denken: een mens die in de geest komt, gaat nog een hele tijd door zoals hij was. Het is soms te betreuren, maar aan de andere kant leer je er wat van. Ik denk niet, dat u ooit geprobeerd hebt een conference te houden voor een stel vrome geesten. Ik wel en ik kan u een ding vertellen: bij elke mop die je vertelt, zakt de kaak verder naar beneden. En er zit geen kaak in, been bedoel ik, dus uiteindelijk hangt zo’n ding als een lap beneden hun voeten. Op den duur kijk je eens rond, ziet een wolkje, waar iets onderuit hangt en je vraagt je af, wat dat wel kan zijn. Maar niets nieuws hoor: het is alleen maar weer een vrome geest, die zich niet vermaakt. U lacht er om. Gelijk hebt u. Ik houd ook meer van een lach dan van een lang gezicht. Maar een gek gezicht blijft het. O, ik weet het, een beetje sentiment zo nu en dan is nodig en doet het altijd goed. Maar als je niet lachen kunt en vooral wanneer je niet lachen kunt om jezelf, waar kom je dan terecht? O, uiteraard ook waar ik nu ben, maar dan zou het u toch wel een beetje tegenvallen. Een mens die lachen kan om zichzelf, denkt altijd: geen kind overboord. Ik neem mijn stok onder mijn arm, zet mijn hoed scheef op mijn test en daar gaan we weer. En zo begin je elke keer weer met een klein beetje deugd, tot de dag komt dat je trots tegen een ander kunt zeggen: Zie je die spierbal? Botten zitten er hier wel niet meer achter, maar spieren dat ik heb! Dan komt er een ogenblik, dat je zelfs eens op aarde mag gaan praten. Ze bekijken je eens aandachtig en opeens komt het: doe jij dit nu maar eens een keer. Want het zijn de ouderen die je helpen, maar over dergelijke dingen ook beslissen. © Orde der Verdraagzamen Stem van Gene Zijde (III) 12 Nu ja, ouderen. Wijzeren. Ik was ook zo jong niet meer, toen ik de aarde verliet. Maar ik voelde mij altijd wel veel jonger dan ik was, dat is waar. Ik zag mijzelf niet met andermans ogen en zo is mij menige desillusie gespaard gebleven. Toen ik die opdracht kreeg, vroeg ik, waarover ik dan wel moest praten. Het antwoord was, praat maar over de geest. Maar wat moet je eigenlijk zeggen van de geest? Je zou er natuurlijk een liedje over kunnen gaan zingen: De geest die draagt geen laarzen, de geest heeft geen kanonnen. De geest zegt niet: 't loopt met mij af, maar: het is pas begonnen. De geest zingt van werkelijke liefde, die niet aan mensen kleeft, maar zingt in al wat is en leeft met al wat leeft. Zo' n nummer had ik vroeger nooit kunnen brengen, zelfs niet met een smeuïg orkestje erachter. Dat gaat gewoon niet. Nu sta ik hier en moet over de geest met u spreken, maar val steeds weer terug in de oude sleur van mijn conferences. En toch zou ik u willen zeggen: mensen, doodgaan is eigenlijk toch een heel gezellige zaak. U moet alleen maar eens narekenen, wie er allemaal voordeel van heeft. U giert? Mij best. Maar u moet toch eens even rekenen: De bakker levert broodjes voor het begrafenismaal. De begrafenisondernemer krijgt te doen. De huilebalken krijgen weer eens een extra fooi voor hun kraaieveren en droef gelaat. En voor het sjouwen, wat zij doen natuurlijk. Ofschoon ik mij heb laten vertellen, dat zij het tegenwoordig met een wagentje doen. Nu ja, met al die welvaart wordt de welvaart misschien op den duur te zwaar om te dragen. En dan zijn er mogelijk erfgenamen die er een leuke dag van kunnen maken. En je familie. Ik had er niet veel meer van. In het begin treuren zij natuurlijk wel, maar je hebt grote kans, dat ze na een tijd tegen elkaar zeggen: het is hier toch wel lekker rustig geworden. En dan jijzelf: je laat je kaduke jas achter, komt in een geheel nieuwe wereld en wordt voor het eerst in je leven gedwongen, de waarheid over jezelf bewust onder ogen te zien. Want er zijn niet veel mensen die de waarheid onder ogen willen zien. Die van anderen eventueel nog wel. Maar weet je wat ze krijgen, wanneer ze iets van de waarheid over zichzelf te horen of te zien krijgen? De hik van woede. Maar laat mij de overgang eens vertellen, zoals ik die zelf heb meegemaakt. Ik ga dood, en ik zie dat ik nog leef en denk zo: nou, dat zit goed. Al die luitjes die zo precies wisten te vertellen hoe het is, hebben mij maar mooi beschummeld. Ik kijk zo rond, kijk naar mij zelf en het eerste wat ik dacht was: verdorie, je bent er nog jonger en knapper op geworden ook. Ik kijk nog eens rond en daar zie ik me iets voorbijkomen.... Oohhhh... Ik denk, nou maar eens proberen op de oude toer en zeg: Hallo!!! Maar zij zag mij niet en verstond mij niet. Ik kijk mistroostig naar beneden en daar staat een klein kereltje naast mij. U weet wel, een soort gemoderniseerde versie van de klokkenluider van de Notre-Dame, compleet zonder klokken. Die kleine zegt tegen mij: kom mee, je moet eerst eens terug gaan denken aan je leven. Ik denk dat wordt me wat. Ik ben er nog niet, of ik krijg een lange tijd solitair. Maar dat viel nogal mee: ik ben een paar dagen met mijzelf bezig geweest. Maar die paar dagen ben ik dan ook druk geweest met het bekijken van al mijn zonden. En je kunt me geloven of niet, maar ergens was ik er nog een beetje trots op ook, want ik wist werkelijk niet meer dat ik er zoveel op elkaar had gestapeld. Uiteindelijk kwam ik weer op het punt waarop je beseft: ik leef verder, en alles, wat er op aarde gebeurt is eigenlijk niet zo belangrijk. Hoogstens leer je ervan. Maar ik had helaas niet al te veel geleerd. En toen begon eigenlijk de striptease: ik ontdekte, dat ik eigenlijk iemand was die bijna niemand was. Wat dat betreft had ik tegenwoordig best in de politiek kunnen gaan. Ik leef verder en uiteindelijk de vraag: ik leef wel, maar wat heb ik nu nog. © Orde der Verdraagzamen Stem van Gene Zijde (III) 13 Ik wilde wel eens weten hoe ik er nu werkelijk uitzag, en wilde op zoek gaan om een spiegel te vinden. Nu is het een vreemde bedoening in onze wereld: als je denkt “ik wil een spiegel hebben”, krijg je er meteen een voor je neus, dat is service van de zaak. Ik zeg zo tegen mezelf: nu zul je jezelf eindelijk weer eens als de oude zien, maar dan jonger, flinker, frisser. Ik kijk dus. Ik zag niet veel. Eerst dacht ik werkelijk, dat er een vlieg op zat. Dat was ik. Ik wenkte dat kleine ventje en vroeg hem: Ben jij ook zo klein? Nee zegt ie, maar ik durf me niet te laten zien, zoals ik nu ben, want dan schrik je je maar dood en zit ik weer met de last. Maar ik zie mijzelf zo klein in die spiegel..... Dat klopt, zegt hij zo in mijn gezicht, zo zien de anderen je hier ook. Maar troost je, je hebt nog veel mogelijkheden, want je hebt tenminste iets geleerd. Maar wanneer je niet in de praktijk kunt brengen, wat je geleerd hebt, als je al de goede gedachten die je gehad hebt, niet in werkelijkheid weet om te zetten blijf, je natuurlijk zo klein.” Ik heb eerst geïnformeerd, of er voor zoiets misschien geestelijke kunstmest was, maar dat hadden zij niet. En dus ben ik maar aan de slag gegaan. En u kunt zien hoever ik nu ben: ik heb al eens een keer op proef door mogen komen, ik dacht hier in de buurt, maar was het nu dit medium of een ander? O, was dat dit medium? In ieder geval mocht ik een keer op proef doorkomen en nu heb ik de kans mij tot spreker te ontwikkelen. Maar ik heb nog wel twee bewakers achter mij. Ze zullen wel gedacht hebben: bij die idioot kun je nooit weten wat hij doet. Dat heb ik trouwens op de bühne ook wel eens gehad. Dan stonden zij bij wijze van spreken met een haakstok klaar om me af te halen. Want wanneer ik vrolijk was, werd mijn conference wel eens een half uurtje te lang. Daar moet ik nu wel voor oppassen, want wanneer ik het hier te lang maak, ben ik één en twee, hup, weg, en krijg niet eens de kans gedag te zeggen. Dus zoals ik al zei: ik ben aan het groeien geslagen en heb er een paar waarheden bij geleerd. Misschien zijn het wel kleine rotwaarheidjes, maar je moet maar denken, iemand die zo klein moet beginnen grossiert niet, die verkoopt zijn zaken ook drie voor een dubbeltje, één voor twee en een halve cent. Ik zie het op het ogenblik zo: de doorsnee mens houdt zich voornamelijk bezig met zijn eigen fouten. Dat kun je wel doen, maar je wordt er niet beter van. Een mens zou zich vooral bezig moeten houden met dat kleine beetje, waarvan hij denkt: dat kan ik goed doen. Doe dat dan maar zo goed mogelijk, want daar kom je altijd wel weer een beetje verder mee. In de tweede plaats zou ik willen zeggen: probeer nooit van jezelf een held of een ingewijde te maken, want dat lukt je toch niet; probeer jezelf alleen maar tot iemand te maken met wat minder kapsones en wat meer begrip. Dan kom je al heel wat verder. Houd je niet al te veel bezig met de geestelijke wereld. Neem een voorbeeld aan mij, ik heb me er helemaal niet mee bezig gehouden en kijk eens waar ik terecht ben gekomen. Het valt mij erg mee en nu ben ik zelfs in uw gezelschap en dat is heel wat. Nu ja, misschien ook niet: u lacht en u kent uzelf beter dan een beginneling als ik u kent. Maar probeer nu maar de kleine, eenvoudige dingetjes in het leven goed te doen. Daar kom je heus het verste mee. En probeer vooral niet deugdzaam te zijn. Want iemand die meent dat hij deugdzaam is, belazert zichzelf en trapt anderen op hun hart. Probeer alleen altijd weer een klein beetje rekening te houden met anderen. Je merkt het zelf misschien niet, maar dan gaan de dingen altijd wat beter. Ik heb het nu zelf ervaren: wanneer je rekening houdt met een ander, krijg je meer begrip, je krijgt a.h.w. een stukje van die ander erbij en dat scheelt vaak heel wat in mogelijkheid en ervaring. Doe dat nu maar. Wanneer u in de spiegel kijkt, zult u geen vlieg of vliegepoepje zien, maar van uzelf denken: ik zit nog wel in de windselen, maar het gaat toch al aardig. En als ik u nog een raad mag geven: houdt u niet al te veel bezig met het aanroepen van hogere krachten. Het klinkt misschien wat gek om het zo te zeggen, maar mensen die veel met hogere krachten bezig zijn, zoeken meestal alleen maar iemand die gratis een karwei voor ze op wil knappen, dat hen anders zelf een hoop moeite zou kosten. Zeg tegen god en de geest maar liever: Help me, als jullie er zijn, en je wilt en kunt, maar ik begin alvast. © Orde der Verdraagzamen Stem van Gene Zijde (III) 14 En als je wilt beginnen met een geestelijk leven in het hiernamaals, zo zou ik jullie willen raden er toch hier alvast mee te beginnen. Want de kern van het geestelijke leven hier, is, zover ik het kan zien, steeds weer proberen anderen te begrijpen en eerlijk zeggen wat je zelf bent. Wanneer je dat probeert, gaat alles prima en hoef je heus geen reclame voor jezelf te maken. Trouwens, wanneer je in de geest probeert reclame voor jezelf te maken, zegt iedereen: iemand die zoveel reclame maakt voor zichzelf, deugt niet. Dat zou ik werkelijk verschillende heren op aarde ook wel eens willen zeggen. Ik zou zeggen: Ach, meneer Nixon.... Ik vind het zo een naam. Nixon. Het is net een nudistennaam, vindt u niet? Ik zou zeggen: Meneer, u maakt zoveel reclame voor uzelf. Als je werkelijk een goede vent was zou een ander dat wel voor je doen... Trouwens, ik zou tegen de mensen die zo hard met de kunst weglopen en daarvoor zoveel subsidies moeten hebben, ook wel eens willen zeggen: Jongens, wanneer je mensen je niet willen betalen wat je nodig hebt om te leven, wanneer zij naar je komen kijken en je moet het van de staat hebben, ben je ook niet veel. Als je werkelijk zo groot bent als je denkt, zou je op de vrije markt het even goed moeten doen. En de mensen met het hoge geestelijke leven zou ik willen zeggen: Jullie kunnen natuurlijk God bidden om een subsidie voor een plaatsje voor het eerste balkon in de hemel en misschien krijg je het ook. Maar geloof mij, als het zover komt, dat je-daar-komt, is het er zo een drukte, dat je wordt platgedrukt en zien doe je ook geen pest, probeer liever op je eigen pootjes verder te komen, dan zit je later in de parterre en heb je de ruimte. U kent ook die spreuk: het leven is een schouwtoneel, eenieder speelt zijn rol en krijgt zijn deel. Wel, ik zou de mensen willen zeggen: speel eens wat meer in het leven. Er zijn mensen die door het leven gaan, alsof ze een zware ploeg moeten trekken. Maar als je die bij ons langs ziet gaan, zou je ze gewoon toe willen zingen: ‘Wolga bootsman’. Want de mensen die van het leven een probleem maken, komen ook niet bepaald vlug verder. Neem het leven dus wat lichter en wat speelser, want uiteindelijk is het leven je niet gegeven om het in tranen te verzuipen. En als je dan toch zuipen wilt, neem dan wat anders. Het leven is je ook niet gegeven om het langzaam te smoren in de zachte kussens van allerhande gewetensvragen. Ga liever overal recht op af en maak ervan wat je kunt. De geestelijke waarheid is niet alles, wat je in mooie theorieën hebt gevonden, maar wel wat je praktisch hebt bereikt, wat je werkelijk bent. Houd je daaraan en alles valt nog best mee. En daarmee heb ik getracht netjes te zeggen, wat ik te zeggen had. En als het niet netjes genoeg was, dan hebt u er toch nog wat plezier aan gehad. En dat kan belangrijk zijn. Want wie zijn medemensen wat plezier bezorgt, maakt hen sterker om hun eigen zorgen te dragen. Ik moet sluiten. Het was mij een vreugde om, gezien uw reacties, nog eens een zonnetje onder de mensen te mogen brengen. Goedenavond. d.d. 15 januari 1971